Actueel

Continuering Sterk Techniekonderwijs

Op 7 juli 2022 verstuurde Dennis Wiersma, de minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs, een brief naar de penvoerders van de STO-regio’s over de voortzetting van het programma vanaf 2024 en verlaging van het totaal percentage cofinanciering.

Zoek op thema op de website

Om u te inspireren delen we sinds de start van STO via onze website praktijkvoorbeelden; handreikingen en onderzoeken. Om alle voorbeelden goed te kunnen vinden, hebben we de inspiratiepagina omgevormd tot themapagina.

Agenda

Introductiecursus Sterk Techniekonderwijs

10 oktober 2022 14:00 uur

STO LIVE-webinar: De samenwerking met het praktijkonderwijs en het VSO

12 oktober 2022 15:00 uur

Terugblik webinars Sterk Techniekonderwijs LIVE

Bekijk alle webinars in de serie Sterk Techniekonderwijs LIVE terug, of bekijk de meest recente webinar hiernaast.

Bekijk alle webinars

Recente veelgestelde vragen

  • Is een samenwerkingsovereenkomst verplicht?

    Bij de start van de transitiefase STO moesten regio’s voor de cofinanciering samenwerkingsovereenkomsten met het bedrijfsleven overleggen. Nu de transitiefase loopt, komt regelmatig de vraag of deze samenwerkingsovereenkomst bij nieuwe cofinancierders afgesloten moet worden en ingestuurd moet worden aan DUS-I.

    Reactie DUS-I

    We hebben deze vraag aan DUS-I voorgelegd. Hun reactie:

    De gedachten achter de cofinanciering is dat het bedrijfsleven in de praktijk betrokken wordt bij het onderwijs. Dit omdat zij belang hebben bij goed opgeleide leerlingen, die snel in de bedrijven aan de slag kunnen. Bij het indienen van het regionale STO-plan waren ondertekende samenwerkingsovereenkomsten verplicht, zodat nagegaan kon worden of er voldoende financiële dekking voor het plan was. Het is voor de penvoerder zelf ook aan te raden gemaakte afspraken met de cofinancierder vast te leggen, zodat de penvoerder in de loop van het programma niet voor ongewenste verrassingen komt te staan.

    Op basis van voortschrijdend inzicht kan de cofinanciering natuurlijk veranderen. Belangrijk is en blijft dat er voldoende betrokkenheid van het bedrijfsleven bij de scholen is. In de regeling STO is vastgelegd dat het bedrijfsleven in de transitiefase ten minste 10% van het totale subsidiebedrag aan cofinanciering inlegt. Dit wordt pas aan het eind van de transitiefase vastgesteld.

    In de regeling STO is vastgelegd dat cofinanciering zowel in materialen, middelen als natura kan worden verkregen. Vormen van cofinanciering in natura zijn stage, gastlessen en bedrijfsbezoeken. De cofinanciering is dan het aantal uren dat het bedrijfsleven in leerlingen investeert. In de begroting en verantwoording moeten aan de uren een reëel tarief in geld gekoppeld worden (de handreiking programma-administratie spreekt van € 50,- per uur). 

     In de loop van de transitiefase kunnen cofinancierders afhaken (bijv. omdat ze failliet gaan) en aanhaken. Met nieuwe cofinancierders hoeft geen nieuwe samenwerkingsovereenkomst afgesloten te worden om de cofinanciering mee te laten tellen in het totaal. Als u ervoor kiest een samenwerkingsovereenkomst af te sluiten hoeft die niet aan DUS-I opgestuurd te worden. Dat was alleen verplicht bij de start van de transitiefase. Wel blijft het raadzaam afspraken vast te leggen.

  • Is er al meer bekend over de financiering van de structurele fase?

    Nee, op dit moment is nog niet bekend hoe de 100 miljoen per jaar in de structurele fase verdeeld gaat worden. OCW heeft verschillende partijen, waaronder de landelijke projectleiding STO, om advies gevraagd. De adviezen moeten in maart/april naar OCW gestuurd worden. Rond de zomervakantie wordt er een beslissing genomen en worden de regio’s daarover uiteraard geïnformeerd.
    Er gaan op dit moment allerlei verhalen rond over de financiering van de structurele fase. Deze zijn niet gebaseerd op een beslissing van OCW.

  • 1 januari 2024 start de structurele fase van STO. Hoe gaat deze eruit zien?

    Het antwoord op deze vraag is nog niet te geven. Wel wordt er al over nagedacht. OCW heeft verschillende partijen gevraagd haar advies te geven. Partijen als de Federatie Techniek en Vakmanschap, de beoordelingscommissie en de projectleiding van de landelijke ondersteuning.

    Vragen als: ‘Moet er een regio-indeling blijven en moet deze indeling blijven zoals hij is?’, ‘Hoe moet de toegezegde 100 miljoen per jaar verdeeld worden?’, ‘Moet er ondersteuning blijven?’, ‘Hoe moet de financiering geregeld worden?’, ‘Moet de cofinanciering gehandhaafd blijven?’, komen bij het denken over de structurele fase aan de orde.

    Begin 2022 verwacht OCW een advies van de genoemde partijen. Beloofd is dat er in 2022 een beslissing genomen wordt over de structurele fase en dat deze ook gecommuniceerd wordt naar de regio’s.

  • Voor 1 november is de voortgangsrapportage ingediend. Wanneer ontvangt de penvoerder hier een reactie op?

    In het eerste kwartaal van 2022 ontvangen de regio’s een inhoudelijke reactie op de voortgangsrapportage.

  • Over welke periode moet de voortgangsrapportage gaan? Van 1 januari 2020 tot 1 juli of 1 augustus 2021?

    U moet in de voortgangsrapportage de stand van zaken in uw STO regio weergeven tot 1 juli 2021. Per abuis heeft in de eerste versie van het rapportageformulier 1 augustus gestaan. Dat is onjuist en hersteld. De rapportage gaat over de periode 1 januari 2020 tot 1 juli 2021. De voortgangsrapportage moet uiterlijk 1 november bij DUS-I ingeleverd zijn.

  • De voortgangsrapportage moet voor 1 november ingediend worden. Hoe moet deze verstuurd worden?

    U kunt nu al de voortgangsrapportage opstellen aan de hand van het op de website gepubliceerde format. Daarbij moet in ieder geval worden teruggekoppeld over de verplichtingen die in de beschikking zijn meegegeven. Alle penvoerders van de STO-regio’s ontvangen binnenkort een persoonlijke link naar een online omgeving waar het ingevulde format voor de voortgangsrapportage met de gevraagde bijlagen geüpload kan worden.