Veelgestelde vragen

FAQ

U vindt op deze pagina veelgestelde vragen over Sterk Techniekonderwijs. Antwoorden op deze vragen worden afgestemd met het ministerie van OCW en DUS-I. De vragen worden regelmatig aangevuld.

Zoek uw vraag naar keuze

Laden...
Er zijn geen veelgestelde vragen die voldoen aan de ingestelde filters.
Selecteer een filter

Meest recente vragen

  • Is een samenwerkingsovereenkomst verplicht?

    Bij de start van de transitiefase STO moesten regio’s voor de cofinanciering samenwerkingsovereenkomsten met het bedrijfsleven overleggen. Nu de transitiefase loopt, komt regelmatig de vraag of deze samenwerkingsovereenkomst bij nieuwe cofinancierders afgesloten moet worden en ingestuurd moet worden aan DUS-I.

    Reactie DUS-I

    We hebben deze vraag aan DUS-I voorgelegd. Hun reactie:

    De gedachten achter de cofinanciering is dat het bedrijfsleven in de praktijk betrokken wordt bij het onderwijs. Dit omdat zij belang hebben bij goed opgeleide leerlingen, die snel in de bedrijven aan de slag kunnen. Bij het indienen van het regionale STO-plan waren ondertekende samenwerkingsovereenkomsten verplicht, zodat nagegaan kon worden of er voldoende financiële dekking voor het plan was. Het is voor de penvoerder zelf ook aan te raden gemaakte afspraken met de cofinancierder vast te leggen, zodat de penvoerder in de loop van het programma niet voor ongewenste verrassingen komt te staan.

    Op basis van voortschrijdend inzicht kan de cofinanciering natuurlijk veranderen. Belangrijk is en blijft dat er voldoende betrokkenheid van het bedrijfsleven bij de scholen is. In de regeling STO is vastgelegd dat het bedrijfsleven in de transitiefase ten minste 10% van het totale subsidiebedrag aan cofinanciering inlegt. Dit wordt pas aan het eind van de transitiefase vastgesteld.

    In de regeling STO is vastgelegd dat cofinanciering zowel in materialen, middelen als natura kan worden verkregen. Vormen van cofinanciering in natura zijn stage, gastlessen en bedrijfsbezoeken. De cofinanciering is dan het aantal uren dat het bedrijfsleven in leerlingen investeert. In de begroting en verantwoording moeten aan de uren een reëel tarief in geld gekoppeld worden (de handreiking programma-administratie spreekt van € 50,- per uur). 

     In de loop van de transitiefase kunnen cofinancierders afhaken (bijv. omdat ze failliet gaan) en aanhaken. Met nieuwe cofinancierders hoeft geen nieuwe samenwerkingsovereenkomst afgesloten te worden om de cofinanciering mee te laten tellen in het totaal. Als u ervoor kiest een samenwerkingsovereenkomst af te sluiten hoeft die niet aan DUS-I opgestuurd te worden. Dat was alleen verplicht bij de start van de transitiefase. Wel blijft het raadzaam afspraken vast te leggen.

  • Is er al meer bekend over de financiering van de structurele fase?

    Nee, op dit moment is nog niet bekend hoe de 100 miljoen per jaar in de structurele fase verdeeld gaat worden. OCW heeft verschillende partijen, waaronder de landelijke projectleiding STO, om advies gevraagd. De adviezen moeten in maart/april naar OCW gestuurd worden. Rond de zomervakantie wordt er een beslissing genomen en worden de regio’s daarover uiteraard geïnformeerd.
    Er gaan op dit moment allerlei verhalen rond over de financiering van de structurele fase. Deze zijn niet gebaseerd op een beslissing van OCW.

  • 1 januari 2024 start de structurele fase van STO. Hoe gaat deze eruit zien?

    Het antwoord op deze vraag is nog niet te geven. Wel wordt er al over nagedacht. OCW heeft verschillende partijen gevraagd haar advies te geven. Partijen als de Federatie Techniek en Vakmanschap, de beoordelingscommissie en de projectleiding van de landelijke ondersteuning.

    Vragen als: ‘Moet er een regio-indeling blijven en moet deze indeling blijven zoals hij is?’, ‘Hoe moet de toegezegde 100 miljoen per jaar verdeeld worden?’, ‘Moet er ondersteuning blijven?’, ‘Hoe moet de financiering geregeld worden?’, ‘Moet de cofinanciering gehandhaafd blijven?’, komen bij het denken over de structurele fase aan de orde.

    Begin 2022 verwacht OCW een advies van de genoemde partijen. Beloofd is dat er in 2022 een beslissing genomen wordt over de structurele fase en dat deze ook gecommuniceerd wordt naar de regio’s.

  • Voor 1 november is de voortgangsrapportage ingediend. Wanneer ontvangt de penvoerder hier een reactie op?

    In het eerste kwartaal van 2022 ontvangen de regio’s een inhoudelijke reactie op de voortgangsrapportage.

  • Over welke periode moet de voortgangsrapportage gaan? Van 1 januari 2020 tot 1 juli of 1 augustus 2021?

    U moet in de voortgangsrapportage de stand van zaken in uw STO regio weergeven tot 1 juli 2021. Per abuis heeft in de eerste versie van het rapportageformulier 1 augustus gestaan. Dat is onjuist en hersteld. De rapportage gaat over de periode 1 januari 2020 tot 1 juli 2021. De voortgangsrapportage moet uiterlijk 1 november bij DUS-I ingeleverd zijn.

Staat uw vraag er toch niet bij? Stel dan uw vraag door het invullen van onderstaand formulier.

Contactformulier