Formats

Handige en behulpzame formats en documenten die scholen kunnen helpen om het gesprek te voeren in de regio.

Formats voor aanvraag subsidieregeling 2020-2023

Van 1 tot en met 31 maart 2019 kan subsidie worden aangevraagd voor de uitvoering van plannen voor goed, actueel en innovatief techniekonderwijs. Deze aanvraag wordt gedaan door een penvoerder die optreedt namens een regio. Een regio bestaat tenminste uit twee vmbo-scholen, één mbo-instelling, bedrijven en/of lokale overheden. Verplicht onderdeel van de aanvraag zijn een regiovisie, een activiteitenplan en een begroting. Gebruik hiervoor de formats.

Voor uw hernieuwde aanvraag voor de regeling Sterk techniekonderwijs kunt u het format addendum Sterk Techniekonderwijs gebruiken.

Tips voor het maken van plannen

Nuttige en toepasbare tips die u kunt gebruiken bij het maken van de plannen voor Sterk Techniekonderwijs. Deze tips zijn opgetekend tijdens de verdiepingsbijeenkomst subsidieaanvraag STO op 10 december 2018.

Uitgangspunten voor een Regioplan

Een geanonimiseerd voorbeeld van afspraken die in een regio gemaakt zijn tussen alle vmbo-scholen in de regio.

Veelgestelde vragen: begroting

  • Wanneer er geld overblijft aan het eind van de subsidieperiode, moet dit dan terugbetaald worden?

    Ja, in Artikel 1.10. van de Subsidieregeling sterk techniekonderwijs 2020–2023 staat dat niet-bestede middelen worden teruggevorderd aan het einde van de huidige subsidieregeling. De middelen moeten voor 1 augustus 2024 besteed zijn.

  • Is het mogelijk om af te wijken van het standaard uurtarief van €50,- dat gehanteerd is in veel begrotingen?

    Ja, het is mogelijk om af te wijken. De gemiddelde personeelslast (GPL) in het voortgezet onderwijs is gestegen en in lijn daarmee kan het uurtarief aangepast worden en een hoger tarief gehanteerd worden. Als u het uurtarief met de GPL laat meestijgen hoeft u daarvan geen losse melding te maken bij DUS-I. U kunt dit aanpassen en onderbouwen in de voortgangsrapportage van 2023.

  • Mag je STO-subsidie gebruiken voor het stimuleren van de doorstroom naar techniek van havo- en vwo-leerlingen?

    Nee dat mag niet! Dat klinkt duidelijk maar is iets genuanceerder. Met behulp van STO-middelen mogen geen materialen, gereedschappen en machines worden aangeschaft alleen voor gebruik in havo en vwo. Ook mag er geen lesmateriaal exclusief voor deze groep ontwikkeld worden. Wel mogen havo- en vwo-leerlingen gebruik maken van vmbo-faciliteiten of vmbo-keuzevakken volgen. Het eventueel aanpassen van opdrachten mag weer niet met STO-geld gedaan worden. Maar bijvoorbeeld de drone die voor het vmbo is aangeschaft, mag wel door havo- en vwo-leerlingen gebruikt worden.

  • Is een samenwerkingsovereenkomst verplicht?

    Bij de start van de transitiefase STO moesten regio’s voor de cofinanciering samenwerkingsovereenkomsten met het bedrijfsleven overleggen. Nu de transitiefase loopt, komt regelmatig de vraag of deze samenwerkingsovereenkomst bij nieuwe cofinancierders afgesloten moet worden en ingestuurd moet worden aan DUS-I.

    Reactie DUS-I

    We hebben deze vraag aan DUS-I voorgelegd. Hun reactie:

    De gedachten achter de cofinanciering is dat het bedrijfsleven in de praktijk betrokken wordt bij het onderwijs. Dit omdat zij belang hebben bij goed opgeleide leerlingen, die snel in de bedrijven aan de slag kunnen. Bij het indienen van het regionale STO-plan waren ondertekende samenwerkingsovereenkomsten verplicht, zodat nagegaan kon worden of er voldoende financiële dekking voor het plan was. Het is voor de penvoerder zelf ook aan te raden gemaakte afspraken met de cofinancierder vast te leggen, zodat de penvoerder in de loop van het programma niet voor ongewenste verrassingen komt te staan.

    Op basis van voortschrijdend inzicht kan de cofinanciering natuurlijk veranderen. Belangrijk is en blijft dat er voldoende betrokkenheid van het bedrijfsleven bij de scholen is. In de regeling STO is vastgelegd dat het bedrijfsleven in de transitiefase ten minste 10% van het totale subsidiebedrag aan cofinanciering inlegt. Dit wordt pas aan het eind van de transitiefase vastgesteld.

    In de regeling STO is vastgelegd dat cofinanciering zowel in materialen, middelen als natura kan worden verkregen. Vormen van cofinanciering in natura zijn stage, gastlessen en bedrijfsbezoeken. De cofinanciering is dan het aantal uren dat het bedrijfsleven in leerlingen investeert. In de begroting en verantwoording moeten aan de uren een reëel tarief in geld gekoppeld worden (de handreiking programma-administratie spreekt van € 50,- per uur). 

     In de loop van de transitiefase kunnen cofinancierders afhaken (bijv. omdat ze failliet gaan) en aanhaken. Met nieuwe cofinancierders hoeft geen nieuwe samenwerkingsovereenkomst afgesloten te worden om de cofinanciering mee te laten tellen in het totaal. Als u ervoor kiest een samenwerkingsovereenkomst af te sluiten hoeft die niet aan DUS-I opgestuurd te worden. Dat was alleen verplicht bij de start van de transitiefase. Wel blijft het raadzaam afspraken vast te leggen.

  • Is er al meer bekend over de financiering van de structurele fase?

    Nee, op dit moment is nog niet bekend hoe de 100 miljoen per jaar in de structurele fase verdeeld gaat worden. OCW heeft verschillende partijen, waaronder de landelijke projectleiding STO, om advies gevraagd. De adviezen moeten in maart/april naar OCW gestuurd worden. Rond de zomervakantie wordt er een beslissing genomen en worden de regio’s daarover uiteraard geïnformeerd.
    Er gaan op dit moment allerlei verhalen rond over de financiering van de structurele fase. Deze zijn niet gebaseerd op een beslissing van OCW.

Veelgestelde vragen: activiteitenplan

  • Is er een overzicht van Rif-aanvragen?

  • Een activiteit mag niet twee keer gesubsidieerd worden. Mag de subsidie wel aanvullend zijn?

    Ja dat mag. Er mag niet twee keer voor eenzelfde activiteit subsidie gevraagd worden (DUS-I gaat na of dat het geval is), maar activiteiten die al worden gesubsidieerd, mogen wel worden aangevuld. Beschrijf goed voor welke activiteit welke subsidie ontvangen wordt en voor welke aanvulling in het kader van Sterk techniekonderwijs subsidie gevraagd wordt.

  • Wat als een activiteit is gepland, maar mislukt? Moet er dan geld worden teruggestort?

    Er moet onderscheid worden gemaakt tussen een activiteit die niet wordt uitgevoerd en een activiteit die mislukt. In de aanvraag worden doelen en activiteiten gesteld. De subsidiegever gaat ervan uit dat deze worden uitgevoerd.
    Op het moment dat activiteiten niet worden uitgevoerd geldt de meldplicht. Op basis van het wijzigingsvoorstel kan een wijziging tussentijds worden goedgekeurd. Bij de financiële verantwoording aan het einde van de subsidieperiode wordt gekeken of alle activiteiten (en/of wijzingen) zijn uitgevoerd. De subsidie kan lager worden vastgesteld als activiteiten niet of niet geheel zijn uitgevoerd.
    Als een activiteit mislukt dan zijn er wel kosten gemaakt. Deze kunnen opgevoerd worden in de verantwoording.

  • In de regio moet samengewerkt worden met bedrijven. Kunnen dat alleen technische bedrijven zijn of mag dat bijvoorbeeld ook een ziekenhuis zijn?

    Bedrijven mag breed opgevat worden, dus technische bedrijven, maar ook ziekenhuizen, zorginstellingen, logistieke bedrijven enz.

  • Ik ben een school zonder technisch profiel en krijg dus geen geld in het kader van de regeling, kan ik wel meedoen met de uitvoering van plannen?

    Er wordt onderscheid gemaakt tussen inkomsten en uitgaven. Scholen krijgen geld voor elke leerling die een technisch profiel volgt in het vmbo en vso (BWI, PIE, M&T, MVI en/of MaT). Het geld mag besteed worden aan alle activiteiten die tot doel hebben de instroom in techniek te bevorderen, dus ook aan techniek binnen andere profielen, stimuleren van techniek in PO, onderbouw en/of vmbo TL, stimuleren van de doorstroom in technische opleidingen vanuit het vmbo, enz. Alle vmbo-scholen in een regio moeten betrokken worden bij het maken van plannen, ook scholen die zelf geen techniekprofiel aanbieden.