Regelingen

Kamerbrieven en regelingen

U vindt op deze pagina beleidsstukken die relevant zijn voor het programma Sterk Techniekonderwijs.

Brief over continuering Sterk Techniekonderwijs (Sto)

Op 7 juli 2022 verstuurde Dennis Wiersma, de minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs, een brief naar de penvoerders van de STO-regio’s over de voortzetting van het programma vanaf 2024 en verlaging van het totaal percentage cofinanciering.

Kamerbrief over voortgang Sterk Techniekonderwijs

Minister Slob (Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media) heeft op 18 oktober 2021 het 1e monitoringsrapport over het programma Sterk Techniekonderwijs (STO) naar de Tweede Kamer gestuurd. Hij informeert de Kamer over de belangrijkste ontwikkelingen. De bijlage daarbij gaat over monitorgegevens en voortgang in het 1e jaar van het programma Sterk Techniekonderwijs (STO).

Download de Kamerbrief

Aanpassingen regeling Sterk Techniekonderwijs

De subsidieregeling Sterk Techniekonderwijs 2020-2023 wordt op enkele punten aangepast. Over deze aanpassingen heeft minister Slob op 20 mei 2021 de penvoerders en STO regio’s per brief geïnformeerd.

Wijziging van de subsidieregeling voor derde aanvraagtijdvak

Op 10 maart 2020 heeft de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media de regeling van 20 februari 2020, nr. VO/ 20538362 ondertekend. In artikel 2 staat een wijziging van de Subsidieregeling sterk techniekonderwijs 2020–2023 in verband met de toevoeging van een derde aanvraagtijdvak voor opnieuw gewijzigde aanvragen.

Kamerbrief goedkeuring plannen tweede ronde

Minister Slob heeft op 17 december 2019 in een Kamerbrief medegedeeld dat nog eens 26 plannen zijn goedgekeurd. In totaal kunnen dus 71 regio’s in januari 2020 van start met hun plannen, dat is ruim 90 procent. De zeven regio’s die nog geen goedkeuring hebben ontvangen worden het komende halfjaar intensief ondersteund zodat zij uiterlijk op 1 juni 2020 een verbeterd plan kunnen indienen.

Download de Kamerbrief

Wijziging regelingen vo voor vaststellen nieuwe bedragen kalenderjaar 2019

Met deze wijzigingsregeling worden de Regeling Prestatiebox vo en de Regeling aanvullende bekostiging technisch vmbo 2018-2019 aangepast. De aanpassing van deze twee regelingen voor het voortgezet onderwijs is het gevolg van de bijdrage die het kabinet in 2019 beschikbaar heeft gesteld voor loonontwikkeling en de definitieve leerlingentelling van 1 oktober 2018.

Kamerbrief regionale plannen goedgekeurd voor sterk technisch vmbo

Minister Slob deelt mee dat al meer dan de helft van de ingediende regionale plannen in het kader van Sterk Techniekonderwijs zijn goedgekeurd. 45 regio’s kregen van de onafhankelijke commissie een positief advies.

Subsidieregeling Sterk Techniekonderwijs 2020-2023

Op 12 september 2018 zijn de kaders voor de planvorming van Sterk Techniekonderwijs gepubliceerd. In deze regeling voor de transitiefase van de middelen voor het technisch vmbo vindt u informatie over:

  • Het penvoerderschap;
  • De subsidieaanvraag en het beoordelingskader;
  • Wat een techniekregio en een techniekarme regio is;
  • De vooraanmelding van de subsidieaanvraag;
  • De cofinanciering vanuit het bedrijfsleven.

In de bijlagen vindt u het beoordelingskader waarin staat aan welke criteria het regioplan moet voldoen en de elementcodetabel van opleidingen waarvoor subsidie aangevraagd kan worden.

Download de regeling

Kamerbrief ‘Samen naar een technisch vmbo’

In deze kamerbrief van 5 juni 2018 informeert Minister Slob (Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media) de Tweede Kamer over de uitwerking van de investering in het techniekonderwijs op het vmbo uit het regeerakkoord. De bedragen voor de aanvullende bekostiging voor vmbo-techniek 2018 zijn in november 2018 definitief vastgesteld.

Download de regeling

Kamerbrief over versterken kwaliteit techniekonderwijs vmbo en vso

In deze kamerbrief van 19 april 2019 informeert Minister Slob (Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media) de Tweede Kamer over de versterking van de kwaliteit van het techniekonderwijs op het vmbo en vso (voorgezet speciaal onderwijs).

Veelgestelde vragen: budget 2020-2023

  • Is er ook na goedkeuring van de plannen ondersteuning beschikbaar?

    Elke regio kan een beroep doen op een ondersteuner. Per regio zijn er een aantal dagen (gratis) ondersteuning beschikbaar. Wilt u weten wie er vanuit STO als ondersteuner beschikbaar zijn kijk dan op de site. Wilt u gebruik maken van ondersteuning? Vul dan het formulier op de website in.

    PAS OP: er bezoeken mensen scholen die zich ‘consulent STO’ noemen, zij horen niet tot het ondersteuningsteam van STO. Uiteraard mag u van hun diensten gebruik maken, maar u moet dan wel zelf de rekening daarvoor betalen.

  • Onze school wil geld van Sterk Techniekonderwijs inzetten voor docenten in het Technasium, mag dat?

    Nee. Het geld van Sterk Techniekonderwijs is bedoeld voor activiteiten in po, vmbo en mbo, niet voor activiteiten in havo en vwo.

  • Hoe wordt bepaald of een school voldoet aan de eisen die gesteld worden aan Sterk Techniekonderwijs?

    De uitvoering van de plannen wordt gemonitord en er zal een evaluatie plaatsvinden. Doel is te komen tot een duurzaam dekkend techniekaanbod in de regio.

  • Mag er ook geld dat ontvangen wordt in het kader van Sterk Techniekonderwijs uitgegeven worden aan huisvesting?

    Nee, huisvesting is een taak van de gemeente.

  • Geld wordt smal toegekend, maar mag breed besteed worden. Wat wordt hiermee bedoeld?

    De maximale hoogte van het vanaf 2020 beschikbare budget per regio is vastgesteld op basis van de leerlingenaantallen BB, KB en GL dat is ingeschreven op de vijf technische profielen. Deze berekening zegt echter niets over de manier waarop het geld besteed moet worden. Ook scholen zonder technische profielen kunnen delen in de middelen (bijvoorbeeld een D&P-school die dit profiel technologisch vormgeeft). Het budget mag besteed worden aan alle activiteiten die leiden tot breed, dekkend en kwalitatief hoogstaand aanbod van techniek in de regio. Deze activiteiten hoeven zich niet te beperken tot de technische profielen in het vmbo.

Veelgestelde vragen: regeling OCW

  • Mag je STO-subsidie gebruiken voor het stimuleren van de doorstroom naar techniek van havo- en vwo-leerlingen?

    Nee dat mag niet! Dat klinkt duidelijk maar is iets genuanceerder. Met behulp van STO-middelen mogen geen materialen, gereedschappen en machines worden aangeschaft alleen voor gebruik in havo en vwo. Ook mag er geen lesmateriaal exclusief voor deze groep ontwikkeld worden. Wel mogen havo- en vwo-leerlingen gebruik maken van vmbo-faciliteiten of vmbo-keuzevakken volgen. Het eventueel aanpassen van opdrachten mag weer niet met STO-geld gedaan worden. Maar bijvoorbeeld de drone die voor het vmbo is aangeschaft, mag wel door havo- en vwo-leerlingen gebruikt worden.

  • Is er al meer bekend over de financiering van de structurele fase?

    Nee, op dit moment is nog niet bekend hoe de 100 miljoen per jaar in de structurele fase verdeeld gaat worden. OCW heeft verschillende partijen, waaronder de landelijke projectleiding STO, om advies gevraagd. De adviezen moeten in maart/april naar OCW gestuurd worden. Rond de zomervakantie wordt er een beslissing genomen en worden de regio’s daarover uiteraard geïnformeerd.
    Er gaan op dit moment allerlei verhalen rond over de financiering van de structurele fase. Deze zijn niet gebaseerd op een beslissing van OCW.

  • 1 januari 2024 start de structurele fase van STO. Hoe gaat deze eruit zien?

    Het antwoord op deze vraag is nog niet te geven. Wel wordt er al over nagedacht. OCW heeft verschillende partijen gevraagd haar advies te geven. Partijen als de Federatie Techniek en Vakmanschap, de beoordelingscommissie en de projectleiding van de landelijke ondersteuning.

    Vragen als: ‘Moet er een regio-indeling blijven en moet deze indeling blijven zoals hij is?’, ‘Hoe moet de toegezegde 100 miljoen per jaar verdeeld worden?’, ‘Moet er ondersteuning blijven?’, ‘Hoe moet de financiering geregeld worden?’, ‘Moet de cofinanciering gehandhaafd blijven?’, komen bij het denken over de structurele fase aan de orde.

    Begin 2022 verwacht OCW een advies van de genoemde partijen. Beloofd is dat er in 2022 een beslissing genomen wordt over de structurele fase en dat deze ook gecommuniceerd wordt naar de regio’s.

  • Hoe kan een regio er voor zorgen dat lessen op de basisschool ook na het aflopen van de STO-plannen in 2023 gegeven kunnen worden?

    In het regeerakkoord van 2017 is afgesproken dat er structureel 100 miljoen per jaar beschikbaar komt voor het stimuleren van techniekonderwijs in de regio. Minister Slob heeft dit bij de kick-off van Sterk Techniekonderwijs nog eens bevestigd: het gaat om structureel geld dat ook beschikbaar blijft na afloopt van de transitiefase, na 2023.
    Door steeds maar om bevestiging te vragen of deze belofte echt wordt nagekomen wordt er twijfel gezaaid en kan de politiek op het idee worden gebracht terug te komen op de toezegging.
    Het gaat om structureel geld! Dat ook na 2023 voor techniekonderwijs beschikbaar is! Lessen techniek op de basisschool kunnen dus ook in 2024, 2025 en de jaren daarna gegeven worden.

  • Kunnen scholen zowel met Sterk Techniekonderwijs als met de pilot nieuwe leerweg meedoen?

    Ja, dat kan. Wel moeten scholen die subsidie ontvangen voor Sterk Techniekonderwijs én de nieuwe leerweg uitkijken dat activiteiten niet dubbel worden gesubsidieerd. Er mag bijvoorbeeld niet 1 machine betaald worden van beide subsidies.

Veelgestelde vragen: regiovisie

  • Wanneer er geld overblijft aan het eind van de subsidieperiode, moet dit dan terugbetaald worden?

    Ja, in Artikel 1.10. van de Subsidieregeling sterk techniekonderwijs 2020–2023 staat dat niet-bestede middelen worden teruggevorderd aan het einde van de huidige subsidieregeling. De middelen moeten voor 1 augustus 2024 besteed zijn.

  • Is het mogelijk om af te wijken van het standaard uurtarief van €50,- dat gehanteerd is in veel begrotingen?

    Ja, het is mogelijk om af te wijken. De gemiddelde personeelslast (GPL) in het voortgezet onderwijs is gestegen en in lijn daarmee kan het uurtarief aangepast worden en een hoger tarief gehanteerd worden. Als u het uurtarief met de GPL laat meestijgen hoeft u daarvan geen losse melding te maken bij DUS-I. U kunt dit aanpassen en onderbouwen in de voortgangsrapportage van 2023.

  • Mag je STO-subsidie gebruiken voor het stimuleren van de doorstroom naar techniek van havo- en vwo-leerlingen?

    Nee dat mag niet! Dat klinkt duidelijk maar is iets genuanceerder. Met behulp van STO-middelen mogen geen materialen, gereedschappen en machines worden aangeschaft alleen voor gebruik in havo en vwo. Ook mag er geen lesmateriaal exclusief voor deze groep ontwikkeld worden. Wel mogen havo- en vwo-leerlingen gebruik maken van vmbo-faciliteiten of vmbo-keuzevakken volgen. Het eventueel aanpassen van opdrachten mag weer niet met STO-geld gedaan worden. Maar bijvoorbeeld de drone die voor het vmbo is aangeschaft, mag wel door havo- en vwo-leerlingen gebruikt worden.

  • Is een samenwerkingsovereenkomst verplicht?

    Bij de start van de transitiefase STO moesten regio’s voor de cofinanciering samenwerkingsovereenkomsten met het bedrijfsleven overleggen. Nu de transitiefase loopt, komt regelmatig de vraag of deze samenwerkingsovereenkomst bij nieuwe cofinancierders afgesloten moet worden en ingestuurd moet worden aan DUS-I.

    Reactie DUS-I

    We hebben deze vraag aan DUS-I voorgelegd. Hun reactie:

    De gedachten achter de cofinanciering is dat het bedrijfsleven in de praktijk betrokken wordt bij het onderwijs. Dit omdat zij belang hebben bij goed opgeleide leerlingen, die snel in de bedrijven aan de slag kunnen. Bij het indienen van het regionale STO-plan waren ondertekende samenwerkingsovereenkomsten verplicht, zodat nagegaan kon worden of er voldoende financiële dekking voor het plan was. Het is voor de penvoerder zelf ook aan te raden gemaakte afspraken met de cofinancierder vast te leggen, zodat de penvoerder in de loop van het programma niet voor ongewenste verrassingen komt te staan.

    Op basis van voortschrijdend inzicht kan de cofinanciering natuurlijk veranderen. Belangrijk is en blijft dat er voldoende betrokkenheid van het bedrijfsleven bij de scholen is. In de regeling STO is vastgelegd dat het bedrijfsleven in de transitiefase ten minste 10% van het totale subsidiebedrag aan cofinanciering inlegt. Dit wordt pas aan het eind van de transitiefase vastgesteld.

    In de regeling STO is vastgelegd dat cofinanciering zowel in materialen, middelen als natura kan worden verkregen. Vormen van cofinanciering in natura zijn stage, gastlessen en bedrijfsbezoeken. De cofinanciering is dan het aantal uren dat het bedrijfsleven in leerlingen investeert. In de begroting en verantwoording moeten aan de uren een reëel tarief in geld gekoppeld worden (de handreiking programma-administratie spreekt van € 50,- per uur). 

     In de loop van de transitiefase kunnen cofinancierders afhaken (bijv. omdat ze failliet gaan) en aanhaken. Met nieuwe cofinancierders hoeft geen nieuwe samenwerkingsovereenkomst afgesloten te worden om de cofinanciering mee te laten tellen in het totaal. Als u ervoor kiest een samenwerkingsovereenkomst af te sluiten hoeft die niet aan DUS-I opgestuurd te worden. Dat was alleen verplicht bij de start van de transitiefase. Wel blijft het raadzaam afspraken vast te leggen.

  • Is er al meer bekend over de financiering van de structurele fase?

    Nee, op dit moment is nog niet bekend hoe de 100 miljoen per jaar in de structurele fase verdeeld gaat worden. OCW heeft verschillende partijen, waaronder de landelijke projectleiding STO, om advies gevraagd. De adviezen moeten in maart/april naar OCW gestuurd worden. Rond de zomervakantie wordt er een beslissing genomen en worden de regio’s daarover uiteraard geïnformeerd.
    Er gaan op dit moment allerlei verhalen rond over de financiering van de structurele fase. Deze zijn niet gebaseerd op een beslissing van OCW.

Veelgestelde vragen: samenwerkingsoverenkomst

  • Wanneer er geld overblijft aan het eind van de subsidieperiode, moet dit dan terugbetaald worden?

    Ja, in Artikel 1.10. van de Subsidieregeling sterk techniekonderwijs 2020–2023 staat dat niet-bestede middelen worden teruggevorderd aan het einde van de huidige subsidieregeling. De middelen moeten voor 1 augustus 2024 besteed zijn.

  • Is het mogelijk om af te wijken van het standaard uurtarief van €50,- dat gehanteerd is in veel begrotingen?

    Ja, het is mogelijk om af te wijken. De gemiddelde personeelslast (GPL) in het voortgezet onderwijs is gestegen en in lijn daarmee kan het uurtarief aangepast worden en een hoger tarief gehanteerd worden. Als u het uurtarief met de GPL laat meestijgen hoeft u daarvan geen losse melding te maken bij DUS-I. U kunt dit aanpassen en onderbouwen in de voortgangsrapportage van 2023.

  • Mag je STO-subsidie gebruiken voor het stimuleren van de doorstroom naar techniek van havo- en vwo-leerlingen?

    Nee dat mag niet! Dat klinkt duidelijk maar is iets genuanceerder. Met behulp van STO-middelen mogen geen materialen, gereedschappen en machines worden aangeschaft alleen voor gebruik in havo en vwo. Ook mag er geen lesmateriaal exclusief voor deze groep ontwikkeld worden. Wel mogen havo- en vwo-leerlingen gebruik maken van vmbo-faciliteiten of vmbo-keuzevakken volgen. Het eventueel aanpassen van opdrachten mag weer niet met STO-geld gedaan worden. Maar bijvoorbeeld de drone die voor het vmbo is aangeschaft, mag wel door havo- en vwo-leerlingen gebruikt worden.

  • Is een samenwerkingsovereenkomst verplicht?

    Bij de start van de transitiefase STO moesten regio’s voor de cofinanciering samenwerkingsovereenkomsten met het bedrijfsleven overleggen. Nu de transitiefase loopt, komt regelmatig de vraag of deze samenwerkingsovereenkomst bij nieuwe cofinancierders afgesloten moet worden en ingestuurd moet worden aan DUS-I.

    Reactie DUS-I

    We hebben deze vraag aan DUS-I voorgelegd. Hun reactie:

    De gedachten achter de cofinanciering is dat het bedrijfsleven in de praktijk betrokken wordt bij het onderwijs. Dit omdat zij belang hebben bij goed opgeleide leerlingen, die snel in de bedrijven aan de slag kunnen. Bij het indienen van het regionale STO-plan waren ondertekende samenwerkingsovereenkomsten verplicht, zodat nagegaan kon worden of er voldoende financiële dekking voor het plan was. Het is voor de penvoerder zelf ook aan te raden gemaakte afspraken met de cofinancierder vast te leggen, zodat de penvoerder in de loop van het programma niet voor ongewenste verrassingen komt te staan.

    Op basis van voortschrijdend inzicht kan de cofinanciering natuurlijk veranderen. Belangrijk is en blijft dat er voldoende betrokkenheid van het bedrijfsleven bij de scholen is. In de regeling STO is vastgelegd dat het bedrijfsleven in de transitiefase ten minste 10% van het totale subsidiebedrag aan cofinanciering inlegt. Dit wordt pas aan het eind van de transitiefase vastgesteld.

    In de regeling STO is vastgelegd dat cofinanciering zowel in materialen, middelen als natura kan worden verkregen. Vormen van cofinanciering in natura zijn stage, gastlessen en bedrijfsbezoeken. De cofinanciering is dan het aantal uren dat het bedrijfsleven in leerlingen investeert. In de begroting en verantwoording moeten aan de uren een reëel tarief in geld gekoppeld worden (de handreiking programma-administratie spreekt van € 50,- per uur). 

     In de loop van de transitiefase kunnen cofinancierders afhaken (bijv. omdat ze failliet gaan) en aanhaken. Met nieuwe cofinancierders hoeft geen nieuwe samenwerkingsovereenkomst afgesloten te worden om de cofinanciering mee te laten tellen in het totaal. Als u ervoor kiest een samenwerkingsovereenkomst af te sluiten hoeft die niet aan DUS-I opgestuurd te worden. Dat was alleen verplicht bij de start van de transitiefase. Wel blijft het raadzaam afspraken vast te leggen.

  • Is er al meer bekend over de financiering van de structurele fase?

    Nee, op dit moment is nog niet bekend hoe de 100 miljoen per jaar in de structurele fase verdeeld gaat worden. OCW heeft verschillende partijen, waaronder de landelijke projectleiding STO, om advies gevraagd. De adviezen moeten in maart/april naar OCW gestuurd worden. Rond de zomervakantie wordt er een beslissing genomen en worden de regio’s daarover uiteraard geïnformeerd.
    Er gaan op dit moment allerlei verhalen rond over de financiering van de structurele fase. Deze zijn niet gebaseerd op een beslissing van OCW.

Veelgestelde vragen: wie krijgt aanvullende bekostiging?

  • Ons bevoegd gezag heeft geld gekregen voor techniekleerlingen, maar wil dit geld niet beschikbaar stellen voor de technische profielen omdat ze zeggen dat ze de afgelopen jaren al veel in deze profielen geïnvesteerd hebben. Mag dat?

    De besteding van de techniekgelden 2018 en 2019 is een schoolinterne zaak. De gelden moeten ten goede komen aan techniek, maar mogen ook gebruikt worden om eerder gedane investeringen te betalen c.q. de reserves waaruit deze investeringen zijn gedaan weer aan te vullen. In het jaarverslag moet verantwoord worden waar het geld aan is besteed. De MR moet goedkeuring geven aan dit jaarverslag en kan vragen stellen over de besteding van de techniekgelden.

  • In de subsidieregeling rond Sterk Techniekonderwijs staat dat er ook subsidie beschikbaar is voor bijscholing (9 miljoen). Geldt deze subsidie ook voor de bevoegdheidstrajecten PIE en hoe kan deze aangevraagd worden?

    Via de subsidie ‘korte scholingstrajecten VO’ kan voor PIE-docenten voor maximaal drie modules (van ieder € 6000,-) subsidie aangevraagd worden. Deze maximaal € 18.000,- per docent zit niet in de middelen die vanuit DUO aan de scholen zijn overgemaakt in het kader van Sterk Techniekonderwijs, maar moeten apart aangevraagd worden. Op de website van DUO kunt u meer informatie vinden (inclusief het aanvraagformulier dat tot 2020 ingevuld kan worden). Ook op de site van het Platform PIE, vindt u meer informatie. Verder biedt SPV in het kader van bijscholing vmbo cursussen en trainingen aan op de website van Bijscholing VMBO.

  • Op welke manier moeten besturen de gelden die in 2018 en 2019 aan de scholen met de profielen BWI, PIE en/of M&T, worden overgemaakt verantwoorden?

    In 2018 en 2019 ontvangen alle scholen met een technisch profiel (PIE, BWI en/of M&T), extra geld om te investeren in het techniekonderwijs. Deze gelden worden, op basis van het aantal leerlingen in de technisch profielen, automatisch overgemaakt door de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). De scholen hoeven hiervoor niets te doen.

    De verantwoording vindt plaats conform artikel 8 van de regeling en geschiedt in de jaarverslaggeving overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs onderscheidenlijk de Regeling jaarverslaggeving onderwijs BES met model G, onderdeel 1, zoals bedoeld in richtlijn 660 van de Raad voor de Jaarverslaggeving.

    De ontvanger van de bekostiging toont aan de hand van een toelichting in het jaarverslag aan dat de activiteiten waarvoor de aanvullende bekostiging is verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de verplichtingen die aan de aanvullende bekostiging zijn verbonden, mits daarmee wordt voldaan aan de eisen die aan een activiteitenverslag worden gesteld.