03 oktober 2020

Webinar over de voortgangsrapportage

Formats beschikbaar

Een voortgangsrapportage is geen verantwoording, dat was de belangrijkste boodschap van het webinar 23 september jongstleden. In de voortgangsrapportage geven regio’s aan wat de stand van zaken is met betrekking tot Sterk Techniekonderwijs in de regio en wat de plannen zijn voor de komende periode. Dat doen ze aan de hand van een format. Het voorbeeld kunt u downloaden.

Format voortgangsrapportage STO (Pdf)

Format STO begroting (Excel)

 

Terugkijken webinar

Tijdens het webinar was er ook aandacht voor het melden van wijzigingen en ‘corona’. Vooral de vraag: wat moet je doen als activiteiten door corona geen doorgang kunnen vinden’ houdt veel regio’s bezig.

Bekijk de video

Download de presentatie

Op basis van het webinar zijn de veelgestelde vragen bijgewerkt. Nieuwe filters op onderwerp zijn ‘corona’, ‘melden van wijzigingen’ en ‘voortgangsrapportage’.

Veelgestelde vragen

  • Wanneer er geld overblijft aan het eind van de subsidieperiode, moet dit dan terugbetaald worden?

    Ja, in Artikel 1.10. van de Subsidieregeling sterk techniekonderwijs 2020–2023 staat dat niet-bestede middelen worden teruggevorderd aan het einde van de huidige subsidieregeling. De middelen moeten voor 1 augustus 2024 besteed zijn.

  • Is het mogelijk om af te wijken van het standaard uurtarief van €50,- dat gehanteerd is in veel begrotingen?

    Ja, het is mogelijk om af te wijken. De gemiddelde personeelslast (GPL) in het voortgezet onderwijs is gestegen en in lijn daarmee kan het uurtarief aangepast worden en een hoger tarief gehanteerd worden. Als u het uurtarief met de GPL laat meestijgen hoeft u daarvan geen losse melding te maken bij DUS-I. U kunt dit aanpassen en onderbouwen in de voortgangsrapportage van 2023.

  • Mag je STO-subsidie gebruiken voor het stimuleren van de doorstroom naar techniek van havo- en vwo-leerlingen?

    Nee dat mag niet! Dat klinkt duidelijk maar is iets genuanceerder. Met behulp van STO-middelen mogen geen materialen, gereedschappen en machines worden aangeschaft alleen voor gebruik in havo en vwo. Ook mag er geen lesmateriaal exclusief voor deze groep ontwikkeld worden. Wel mogen havo- en vwo-leerlingen gebruik maken van vmbo-faciliteiten of vmbo-keuzevakken volgen. Het eventueel aanpassen van opdrachten mag weer niet met STO-geld gedaan worden. Maar bijvoorbeeld de drone die voor het vmbo is aangeschaft, mag wel door havo- en vwo-leerlingen gebruikt worden.

  • Is een samenwerkingsovereenkomst verplicht?

    Bij de start van de transitiefase STO moesten regio’s voor de cofinanciering samenwerkingsovereenkomsten met het bedrijfsleven overleggen. Nu de transitiefase loopt, komt regelmatig de vraag of deze samenwerkingsovereenkomst bij nieuwe cofinancierders afgesloten moet worden en ingestuurd moet worden aan DUS-I.

    Reactie DUS-I

    We hebben deze vraag aan DUS-I voorgelegd. Hun reactie:

    De gedachten achter de cofinanciering is dat het bedrijfsleven in de praktijk betrokken wordt bij het onderwijs. Dit omdat zij belang hebben bij goed opgeleide leerlingen, die snel in de bedrijven aan de slag kunnen. Bij het indienen van het regionale STO-plan waren ondertekende samenwerkingsovereenkomsten verplicht, zodat nagegaan kon worden of er voldoende financiële dekking voor het plan was. Het is voor de penvoerder zelf ook aan te raden gemaakte afspraken met de cofinancierder vast te leggen, zodat de penvoerder in de loop van het programma niet voor ongewenste verrassingen komt te staan.

    Op basis van voortschrijdend inzicht kan de cofinanciering natuurlijk veranderen. Belangrijk is en blijft dat er voldoende betrokkenheid van het bedrijfsleven bij de scholen is. In de regeling STO is vastgelegd dat het bedrijfsleven in de transitiefase ten minste 10% van het totale subsidiebedrag aan cofinanciering inlegt. Dit wordt pas aan het eind van de transitiefase vastgesteld.

    In de regeling STO is vastgelegd dat cofinanciering zowel in materialen, middelen als natura kan worden verkregen. Vormen van cofinanciering in natura zijn stage, gastlessen en bedrijfsbezoeken. De cofinanciering is dan het aantal uren dat het bedrijfsleven in leerlingen investeert. In de begroting en verantwoording moeten aan de uren een reëel tarief in geld gekoppeld worden (de handreiking programma-administratie spreekt van € 50,- per uur). 

     In de loop van de transitiefase kunnen cofinancierders afhaken (bijv. omdat ze failliet gaan) en aanhaken. Met nieuwe cofinancierders hoeft geen nieuwe samenwerkingsovereenkomst afgesloten te worden om de cofinanciering mee te laten tellen in het totaal. Als u ervoor kiest een samenwerkingsovereenkomst af te sluiten hoeft die niet aan DUS-I opgestuurd te worden. Dat was alleen verplicht bij de start van de transitiefase. Wel blijft het raadzaam afspraken vast te leggen.

  • Is er al meer bekend over de financiering van de structurele fase?

    Nee, op dit moment is nog niet bekend hoe de 100 miljoen per jaar in de structurele fase verdeeld gaat worden. OCW heeft verschillende partijen, waaronder de landelijke projectleiding STO, om advies gevraagd. De adviezen moeten in maart/april naar OCW gestuurd worden. Rond de zomervakantie wordt er een beslissing genomen en worden de regio’s daarover uiteraard geïnformeerd.
    Er gaan op dit moment allerlei verhalen rond over de financiering van de structurele fase. Deze zijn niet gebaseerd op een beslissing van OCW.